EERSTE HOOFDSTUK – EEN MEISJE VAN HONDERD – DOOR MARION BLOEM

EEN MEISJE VAN 100

copyright
Marion Bloem

‘We now know enough to know that we will never know everything. This is why we need art: it teaches us how to live with mystery. Only the artist can explore the ineffable without offering us an answer, for sometimes there is no answer.’

By Jonah Lehrer. |

In 1880 had de voorman van de Anti-Revolutionaire Partij Abraham Kuyper opgeschreven:

‘Alsnu is het zaak tegenover deze onmondige natiën de drieërlei zedelijke verplichting te aanvaarden, waaronder elke voogd, tegenover zijn pleegkind staat, te weten:

a. om het zedelijk op te voeden;

b. om zijn bezit ten zijnen meesten bate met overleg te beheren; en

c. om het in de toekomst, zo God dit wil, het innemen van zelfstandiger positie mogelijk te maken.’ |


De menselijke handelingen niet bespotten, niet betreuren, niet veroordelen, doch begrijpen.

Uit het Latijn: Humanas actions non ridere, non lugere, neque detestari, sed intellegere.

Bron: Tractatus Theologico Politicus (1670) Spinoza.|

“Als het even gemakkelijk was over gedachten te heersen als over tongen, zou iedereen veilig kunnen regeren en zou geen enkel staatsgezag gewelddadig zijn”[3]

— Baruch Despinoza (1677). Tractatus Theologico-Politicus. Hoofdstuk 20, paragraaf 1. |

MOEMIE

ze leest de levens van vreemden in een oogwenk, maar over zichzelf weet ze niets, zelfs haar werkelijke geboortedatum en geboorteplaats niet. Hoewel er 20 september 1906 in haar geboorteakte staat, is haar navelstreng waarschijnlijk vele maanden eerder doorgeknipt. Niemand weet de exacte dag, niemand bekommert zich erom. De genoemde ouders zijn niet meer dan een reeks letters op een stuk vergeeld papier. De vrouwen die zich als een moeder over haar ontfermden beweerden pertinent haar moeder niet te zijn en haar moeder niet te kennen. In de slaapzaal van het weeshuis waar ze werd kaalgeschoren zag ze moeders naast de bedden van de andere meisjes zweven, maar niet naast het hare. Op het Wilhelminaplein in Semarang  bewogen tussen marcherende en exercerende Japanners hun moeders, grootmoeders, en overgrootmoeders, maar haar eigen moeder heeft zich nooit aan haar laten zien.

Een glimp van een haastige jonge vrouw op pumps die met overvolle boodschappentassen  geroutineerd de hondendrollen op het smalle trottoir van de Balistraat te Amsterdam omzeilt, laat onuitwisbaar leed achter op haar netvlies. En terwijl een Spaanse toerist op Bowery in Manhattan met een fototoestel om de nek haar nietsvermoedend voorbij slentert, worstelt zij met visioenen omtrent de toekomst van die voorbijganger, die haar zelfs niet heeft opgemerkt. Een voorwerp, een halsketting in de etalage van een antiekzaak, een foto in de krant, de aanblik van een gevel… De geringste aanleiding confronteert haar met overleden familieleden van wildvreemden, maar over haar eigen afkomst ontdekt ze niets.

Het zien komt altijd ongevraagd. Ze vraagt zich af waarom ze zoveel moet weten als ze het geconstateerde naderend onheil nooit zal kunnen keren. Haar gave is een ondraaglijke last. Haar talent torst ze op haar bijna honderd jaar oude schouders en lichter wordt die onwelkome bagage nooit.

Er bestaan mensen die zich gezegend voelen met de kracht die zij als een vloek ervaart. Sommigen verdienen er de kost mee. Ook voor haar was er van tijd tot tijd een bloeiende periode waarin gesloten deuren zich openden. Rijke, arme, mooie, lelijke, wanhopige en intelligente vrouwen kwamen om advies. Moesten ze ingaan op een huwelijksaanzoek? Was hun minnaar betrouwbaar? Waren ze vruchtbaar? Had zich een jongen of een meisje in hun baarmoeder genesteld? Zouden ze nog iemand vinden voordat ze de huwbare leeftijd voorbij waren? Mensen maakten reizen voor een korte ontmoeting omdat ze via vrienden of kennissen iets over haar hadden opgevangen. Ze namen haar gastvrij in huis, of gingen haar juist angstvallig uit de weg.

Ze beseft sinds haar prille jeugd in de tropen dat je het weten niet kunt afdwingen. Je blijft rijst met ketjap eten als je er de kost mee wilt verdienen. Daarom is ze nog steeds straatarm en zal ze arm sterven. En om die reden weet ze niks over zichzelf en zoveel over anderen. Je krijgt niet waarom je vraagt. Er wordt je zoveel opgedrongen dat je niet meer ziet wat je wilt zien. Ze heeft zich erbij neergelegd dat ze inmiddels bijna een eeuw op deze aarde rondwandelt en er niet veel wijzer op is geworden, maar ze begrijpt niet waarom de dood haar nog altijd negeert.

NINE ELEVEN

“Hoe heet die tante van je ook alweer?’

De Amsterdamse voorjaarszon brandt weliswaar prettig in op haar gezicht, maar veroorzaakt zweetplekken onder haar oksels. Voordat ze vertrok had ze de weersvoorspelling bekeken. Het zou droog blijven met een frisse wind uit het oosten, wisselende bewolking, en slechts veertig procent kans op zon bij een temperatuur van minimaal dertien en maximaal zeventien graden Celsius.

Voor deze lunch met haar moeder heeft Beila een iets te warm paars wollen mantelpakje aangetrokken. De voering van het nauwe rokje plakt tegen haar bovenbenen. Omdat ze al twee weken niet in het Vondelpark heeft gerend moet niet alleen de knoop los, ook het bovenste deel van de rits blijft open onder de witte zijden blouse. Bij de aanschaf van dit vintage kledingstuk met schoudervulling wist ze dat ze het zelden zou dragen.

De eerste keer dat ze zich in het kokerrokje wurmde was toen ze haar subsidieaanvraag voor een documentaire over de in 2004 vermoorde Indonesische mensenrechtenactivist Munir Said Thalib moest komen toelichten. Ook toen droeg ze de kniehoge Prada laarzen waar ze 70 procent korting op kreeg omdat de rechterlaars in de etalage door de zon was opgebleekt. Beide panterkleurige laarzen heeft ze thuis op het smalle slaapkamerbalkon donkerpaars gespoten. Een doodzonde volgens Lisa. Zijzelf noemde het een statement. Bij nader inzien was het vooral een manier om te laten weten dat ze voortaan lak heeft aan alles wat Lisa vindt, voelt en denkt. Maar dat wist ze toen nog niet. Hoewel ze elkaar al een jaar lang op geen enkele manier bevredigd hadden, dachten ze zes weken geleden nog steeds dat ze samen oud zouden worden.

Ze steekt scherp af tegen haar moeder die in zwart mini en een open hangend rood leren jack over een laag uitgesneden t-shirt, met rode pumps aan haar blote voeten, de ober flirtend aanspreekt alsof ze net boven de twintig is. Pas nu ze met haar moeder op haar favoriete terrasje luncht, merkt ze hoe onaangenaam dicht je op die lange houten bank aan die boerentafel tegen elkaar aangeperst zit. Met haar ellenbogen, beseft ze, raakt ze liever een vreemde dan de bovenarm van haar eigen moeder.

Het te chique mantelpakje had ze aangetrokken om te voorkomen dat zij en haar moeder op dit hoekterras, waar ze elke dag appeltaart met slagroom en verse muntthee bestelt, door voorbijgangers zouden worden aangezien voor vriendinnen. Hun confectiekleding kopen ze bij dezelfde ketens. Het is eens gebeurd dat ze in precies dezelfde jurk op een verjaardag verschenen. Of nee, het was een begrafenis. Die van haar eigen opa nota bene. Als Beila een nieuwe winkel ontdekt blijkt haar moeder daar ook al iets op de kop te hebben getikt. Ze is gestopt zich eraan te storen, heeft meermalen overwogen om alleen nog vintage te scoren, maar verdraagt de geur van tweedehandswinkels niet.

“Welke tante? Ik heb er zoveel!” vraagt haar moeder onwillig.

“Die ene bij we gelogeerd hebben…”

Ze wordt onderbroken met een zeer beslist: “Beila, jij en ik hebben nog nooit samen bij een tante gelogeerd.”

“Wel waar! Als je de namen noemt zeg ik wel wie het was.”

De onverbiddelijke toon van haar stem is onterecht omdat ze niet zeker weet of ze er logeerden of dat ze er alleen maar een keer op bezoek zijn geweest. Ze was nog een kind. Het is zelfs de vraag of datgene wat ze zich herinnert wel gebeurd is. Nu ze in haar geheugen op zoek gaat naar bewijsmateriaal vindt ze geen slaapkamer of bedden.

Beeld 1:Ze zit naast haar vader en moeder op de met gehaakte kleedjes bezaaide driezitsbank en de tante praat tegen hen vanaf een met kleurrijk haakwerk beklede poef naast de televisie in tantes huiskamer.

Beeld 2: Haar moeder ligt uitgeteld in beha en slipje op een dun matrasje op de grond terwijl zij met haar blote voeten op de rug van de tante staat die ook slechts gekleed in ondergoed, zonder matrasje op de vloerbedekking in de huiskamer ligt.

Beeld 3: Ze zit aan de keukentafel in een kleine broeierige keuken waar fel zonlicht via een klein raam door de lilakleurige gehaakte vitrage binnenkomt en ze kraakt met haar blote vingers een walnoot.

Haar moeder neemt een te grote hap van de gerookte zalm waardoor praten even onmogelijk is. Ze kauwt traag en voordat ze die hap heeft weggeslikt zet ze haar tanden ook stevig in het donkere meergranenbrood, terwijl ze normaliter enthousiast wordt zodra Beila over haar familie begint. Misschien heeft ze een eigen agenda en is deze lunch niet in het kader van de moeder-dochter-‘bonding’ waar ze het altijd over heeft.

Het initiatief kwam, zoals gewoonlijk, wel van haar moeder. Gisteravond laat, pas na half elf, juist toen Beila een schema aan het maken was voor haar scenario ging de telefoon. Het leek telepathie, want exact op dat moment keek Beila op haar i-phone om te zien hoe laat het was en dacht: jammer, al half elf, mijn moeder kan ik nu niet meer bellen.

Gebogen over het script ontstond de dringende behoefte om in contact te komen met die ene tante op wiens naam ze nog altijd niet kan komen. Hij ligt zelfs niet op het puntje van haar tong. Het gezicht van de tante staat haar slechts vaag voor de geest. Maar in de afgelopen jaren drong haar beeltenis zich een paar keer aan haar op en de tante dook opeens op in haar dromen. Ze was poepbruin, praatte  veel en druk, schaterde het vaak uit, lachte met grote uithalen, en was een beetje mollig. Ze was een knuffelvrouwtje met zachte wangen, zachte handen en ondanks haar leeftijd had ze een mooie gladde huid. Dat is alles wat ze nog weet. Het zouden evenwel voldoende aanknopingspunten voor haar moeder moeten zijn.

“Hoe is het met Lisa?” vraagt die als ze de laatste hap nog niet geheel heeft doorgeslikt en tussen haar tong en tanden slierten zalm en draden mayonaise hangen.

Daar is ze goed in, Daisy Flinker-Vogel, de uitvindster van Bijzondere Wereldreizen: een vraag negeren en het gesprek op een ander onderwerp brengen met het onschuldige gezicht van een kleuter. Met die ogenschijnlijke naïviteit heeft ze in oerwouden, woestijnen, berggebieden, steden, in afgelegen vissersdorpjes, en aan mooie verlaten stranden de mensen telkens voor haar karretje weten te spannen. Niemand ziet aan die tengere bruisende elegante vrouw met haar ietwat chaotische uitstraling dat zij eigenaar is van een van de grootste internationale reisbureaus ter wereld.

Beila is niet van plan om iets los te laten over de al dertig dagen durende ijzige kilte tussen haar en Lisa.  Het appartement, zelfs het bed delen ze nog, maar hun woning staat sinds een week te koop. Drie bezoekers vonden de prijs te hoog voor het aantal vierkante meters. Daarom stelde de makelaar voor de vraagprijs drastisch te laten zakken. Ook over de verkoop van hun gezamenlijke woning en de noodzaak elkanders nabijheid om financiële redenen nog te tolereren wil ze met haar moeder niet spreken. Veel te opgewekt zegt ze: ”Heel goed! Maar noem nu de namen van je tantes even voor me op, alsjeblieft.”

“Dood of levend?”

“Allemaal!”

“Tante Tientje, tante Mientje, tante Trees, tante Nonnie, tante Noesje, tante Pollie…eh…dan heb je eh… tante Fanny, tante Maggie, tante Besje,…tante Po, tante Toeti, tante Loetje, tante Snoetje…”

“Je bent flauw.”

“Hoezo?“ Haar moeder lacht ondeugend. Haar zwarte ogen twinkelen. Ze is leeftijdloos. In haar mondhoek kleeft een broodkruimel met mayonaise maar haar aantrekkelijkheid verliest ze daardoor niet. Zelfs de uitgelopen kohl die in de ooghoeken is gaan ophopen staat haar goed. Beila is niet jaloers op haar moeders slanke lenige lijf dat in de verste verte niet verraadt dat ze al boven de zestig is; ook niet op haar glanzende donkere nog altijd zijdezachte huid, maar wel op die erotische lach die zij niet heeft en nooit zal hebben. Het is de Aziatische overbeet in combinatie met die donkere amandelvormige pretogen die het gezicht van haar moeder karakteriseren, terwijl zij met de grijsgroene ogen van haar vader en haar gereguleerde gebit altijd ernstig lijkt, ook als ze geïnteresseerd denkt te glimlachen. Lisa vond dat juist aantrekkelijk aan haar, zo’n gezicht dat afstandelijkheid uitstraalt, maar Lisa is gezegend met dezelfde Oosterse overbeet en mysterieuze koolzwarte ogen als haar moeder. Achteraf denkt ze dat ze zich vanwege die overeenkomsten bij Lisa zo thuis voelde en het nooit verliefdheid is geweest, maar dat haar gevoelens symptomen waren van een veel te symbiotische moeder-kind-relatie.

“Zo heten ze echt niet.”

Ze heeft geen idee of haar moeder serieus is of niet en dat is vaak zo. Haar moeder kan liegen alsof ze de waarheid spreekt en ze vertelt de waarheid alsof ze jokt.

“Jawel, echt! Misschien hadden ze wel mooiere namen maar die heb ik nooit gekend. Die werden niet gebruikt. Zat ze er nog niet bij?”

“Ik bedoel je oudtantes, zussen van oma en opa of zo.”

“Van mijn moeders kant?”

“Ik weet niet van welke kant. Noem ze gewoon van beide kanten, dan hoor ik wel of ze er bij zit.”

Haar moeder gaat verzitten, kijkt rond alsof ze om hulp zoekt, neemt een slok van haar Earl Grey thee en zucht:” Nou…Even kijken. Mijn oudtantes…Een paar heb ik al genoemd. Dan hebben we nog tante Nietje, tante Diet, tante Pauw, tante…hoe heet ze nou toch…eh…tante… tante Wies, tante Stien, tante Tien, tante Wil, tante Marie, tante…Hoe heet die ene die in Indonesië is gebleven ook alweer…Tante Til, en dan heb je nog eh…Tante Dotje of Doh, ja Doh heette ze, die woonde in Den Haag …Bedoel je die, de jongste zus van mijn moeders moeder?”

“We zijn bij haar in New York geweest bij die kapotte huizen. Ik was acht, of misschien al negen, dat weet ik niet meer.” Ze vindt het moeilijk om dat bezoek te beschrijven omdat ze liever haar moeders versie van die ontmoeting zou horen.

“In New York? O zeg dat dan! In Manhattan, de Lower east side, die gevaarlijke buurt toen? Je bedoelt Moemie?”

Dat laatste roept ze zo luid dat iedereen op het terras in hun richting kijkt.

“Ja, Moemie.” Ze weet het weer. Ze vond de naam raar omdat hij zo op ‘mammie’ leek. Dat had ze ook aan Moemie zelf gezegd en die had toen geantwoord: ’Ze hebben me al wel honderd namen gegeven, maar deze sta ik liever niet meer af.’

“Moemie was geen oudtante,” zegt haar moeder die in het spiegelbeeld van haar vuile mes haar tanden controleert en de broodkruimel die van haar mondhoek naar haar bovenlip verschoven is ontdekt en deze achteloos met haar hand wegveegt.

Eigenlijk is ze nooit geïnteresseerd geweest in de bloedverwantschap van al die mensen die ze op verjaardagen van haar grootouders moest begroeten met een omhelzing en kussen op de wang omdat handje schudden niet voldoende was, maar nu vraagt ze: “Wat dan wel?”

“Gewoon een tante.”

“Van wie was ze een zus?”

“Ze was geen zus….Ze was gewoon een van de tantes die we tante noemden. Waarom begin je opeens over haar?” Haar moeders gezicht verandert van vrolijk in somber. Ze is onmiddellijk zo oud als ze is. Diepe rimpels op haar voorhoofd en de mondhoeken naar beneden, zoals de blik van Beila’s opa, toen zij zijn hand vasthield, vlak voordat hij zijn laatste adem uitblies. Daarna, toen ze hem gezamenlijk gingen wassen, was zijn huid glad, leek hij te lachen, en had hij geen enkel rimpeltje in zijn gezicht.

“Ik moest heel erg aan haar denken.”

“Dat is sterk,” zegt haar moeder zacht, zonder haar gewoonlijke sarcasme als het om toevalligheden gaat: ”Ik heb gisteravond ook even aan haar gedacht.”

Ze zwijgen in zichzelf gekeerd.

De ober vraagt of alles naar hun zin is, of ze nog iets willen drinken, maar moeder en dochter reageren niet. De zon is plotseling achter de wolken. Beila, die nu blij is dat ze haar wollen mantelpakje draagt aangezien het terras in één tel vier graden kouder is, herinnert zich dankzij het horen van de naam Moemie opeens veel meer van die keer dat ze met haar ouders bij die levendige stevig babbelende vrouw op bezoek was. Ze ruikt het verwaarloosde veel te warme appartement, het open potje obat madjan op de salontafel dat bedoeld was om de muggen op een afstand te houden, de baklucht die het behang oker kleurde, de muffe versleten vloerbedekking, ziet de Amerikaanse televisie die aanstond met het geluid uit, proeft de grote gele rozijnen die ze in een kommetje kreeg toegeschoven, voelt tussen haar vingers hoe ze de walnoten zonder notenkraker brak, precies op de naad, en hoort de noten die ze niet open kreeg vallen in de emaillen schaal waar zij ze van Moemie in moest gooien omdat zij ze dan nog langer op de verwarming zou laten drogen. “Veel walnoten eten,” zei ze, “daar krijg je goede hersens van.”

De oude vrouw trok opeens haar bloemetjesjurk over haar hoofd uit, ging halfnaakt op de vloerbedekking liggen, en zei: ”Doe je schoenen en sokken uit Beila, dan leer ik je hoe je je moeder kan helpen als ze weer eens pijn heeft.” Haar naar Zwitserse strooikaas ruikende gympies lagen nog geen halve meter bij Moemies neus vandaan. Haar door zweet drijfnatte sokken lagen ernaast. Terwijl ze op Moemies rug stond te wankelen rook ze haar eigen tenenkaas en voelde zich beschaamd. Nog altijd voelt ze de koele rug van Moemie onder haar bezwete plakkerige blote voeten. Moemie instrueerde haar waar ze wel en waar ze niet moest lopen, en waar ze wat langer moest staan, of expres een beetje wiebelen. Ze was ervan overtuigd dat ze voortaan haar moeders eeuwige kwaal zou kunnen genezen. Maar altijd als ze voorstelde ‘mama zal ik op je rug gaan staan’ antwoordde haar moeder: ’Nee, ik ben bang dat mijn klachten erdoor verergeren.’

“Denk je dat ze nog leeft?” vraagt Beila.

“Dat lijkt me sterk, ze was toen al vijfenzeventig…of misschien bijna tachtig. Dus dan moet ze nu…even kijken… Nou, dan zou ze nu ongeveer honderd en tien moeten zijn. Ze zag er goed uit maar ze had erge last van hoge bloeddruk. En hartklachten. Ze at kilo’s gedroogde zure abrikozen omdat ze dacht dat ze de bloeddruk ermee omlaag kreeg.”

“Als ze dood zou zijn dan had je ooit een rouwkaart ontvangen lijkt me, en dan was je naar haar begrafenis gegaan.”

“Zou je denken,” zegt haar moeder, “maar ik kan me daar niets van herinneren. Misschien hadden ze mijn adres niet, ik weet zelf ook niet waar iedereen woont. En ik denk mijn moeder evenmin. Die mensen zitten over de hele wereld verspreid. Iedereen leeft zijn eigen leven. Toen jij ging trouwen heb je toch ook niet al mijn familieleden ingelicht? Ik moet er niet aan denken dat ik bij iedere dooie op moet komen draven. Ik zou elke week een crematie hebben.” Ze klinkt ongeduldig, alsof ze niet over haar familie wil praten en belangrijkere zaken te bespreken heeft.

“Kun je je nog herinneren wat ze toen tegen ons zei?”

“Je bedoelt over die Twin Towers?”

“Ja daarover en nog meer.”

“Ach, je moet die dingen niet geloven. De familie nam haar ook nooit serieus. Ze praatte teveel, ze had teveel fantasie.”

“Ze voorspelde ‘nine eleven’.”

“Nee, niet waar, ze voorspelde dat die torens zouden inzakken. Dat was alles.”

“Ze beschreef precies hoe ze eerst die ene en toen die andere in zag storten, letterlijk zoals we het op het journaal hebben kunnen zien, met de rook die eruit kwam.”

“Jij was pas acht, wat kun jij je daar nog van herinneren?”

“Dat en nog veel meer.”

“Flauwekul. Ze zei van alles wat ze nooit had mogen zeggen. Als je die gave hebt dan hoor je te weten wat je voor je moet houden en zij flapte alles er maar uit alsof mensen van steen zijn.”

“Dus je denkt dat ze dood is?”

“Wat denk je zelf?” Haar moeders sarcastische lachje duikt alsnog op. Ze haat dat. Haar ouders hebben dat met elkaar gemeen. Het is hun arrogantie.

Haar moeder bijt op haar lip. Alsof ze bang is te gaan praten. Ze begint de vuile borden en bekers op de houten tafel, ook die van anderen, te stapelen alsof ze thuis is, klaar om op te staan en de vuile afwas in de gootsteen te zetten. Ze wil ook het glas munt thee dat nog voor de helft vol is in een ander glas schuiven, ontdekt haar vergissing, zet het glas gauw weer neer, maar stoot het dan per ongeluk om. De thee loopt eruit. Onmiddellijk zet ze het glas recht en zegt: “Ik kan maar beter meteen van wal steken. Ik heb slecht nieuws. En je vader mag nooit weten dat ik het aan jou heb verteld, want hij heeft het mij ten strengste verboden. Beloof je dat je nooit zal laten merken dat je het weet?”

“Ja, natuurlijk.”

“Gisteravond wilde je vader zo raar vroeg naar bed dat ik argwaan kreeg. Ik ben hem achterna gegaan en op de slaapkamer ben ik door blijven vragen. Hij bekende dat hij al een paar keer bij de dokter is geweest en is doorverwezen naar een uroloog die hem gisteren heeft gezegd dat hij kanker heeft. Het is te laat om te opereren, hij wordt gecontroleerd op uitzaaiingen, moet een hormoonkuur volgen en ze gaan hem bestralen. Ze kunnen niet beloven dat ze op tijd zijn om hem nog te genezen.”

Beila is verbijsterd. Ze wist dat er iets zou komen, maar dit… De enige gedachte die in haar opkomt is: hoe kan ze mini aantrekken, hoe kan ze flirten met een ober als haar man een ernstige vorm van kanker heeft? Hoe kan ze hier een uur lang een beetje gezellig zitten spotten over tantes en oudtantes  terwijl ze net gehoord heeft dat haar man, de vader van haar enige dochter, een ernstige ziekte heeft?

Haar moeder, met haar rechterbeen over haar linkerbeen geslagen, heeft haar rechtervoet niet meer in de rode hoge hak zitten.  Alleen haar rechtertenen hebben nog contact met de rode pump die rondtolt met als spil die vijf verkrampte eensgezinde rechtertenen. Ze heeft haar moeder dit in haar jeugd twee keer zien doen. De eerste keer toen ze in haar vaders aktetas twee nat ondergoed gevonden had en die aan haar moeder getoond had met de vraag: “Waarom heeft papa twee natte onderbroeken tussen zijn boeken?” Het ging om een onbekend damesslipje en een onderbroek van hemzelf. Totdat hij thuis kwam en hem erover begon te ondervragen had haar moeder non stop op de tuinbank naast de voordeur gezeten en op diezelfde wijze met haar hoge hak gespeeld. De verbeten wijze waarop haar moeder de schoen cirkelend van de grond hield maakte meer indruk dan haar ruziënde ouders. De tweede keer dat ze haar moeder dit had zien doen was toen ze het vliegtuig in Barcelona gemist hadden en ze niet wisten of hun terugkeerticket nog wel geldig was. Haar ouders gingen niet scheiden en ze zijn niet in Barcelona blijven wonen. Misschien is het een bezwering van haar moeder om te zorgen dat alles weer goed komt.

Maar Moemie had gewaarschuwd dat het zou gebeuren. Ze herinnert zich het gesprek op de bank in een flat met brandtrappen aan de straatkant nu bijna woord voor woord. Ze probeert elk detail terug te halen. Moemie’s gezicht kan ze nog niet scherp zien, wel haar vlezige handen, haar volle boezem in de bloemenjurk. De vele ventilatoren in de huiskamer hoort ze…. . Ze zat tussen haar vader en moeder op de bank toen Moemie zei:” Beila is in een vorig leven een belangrijke prinses geweest.” Haar vader reageerde daarop spontaan door te zeggen: “Beila is altijd mijn prinsesje geweest, in al mijn levens.” Haar ouders hadden smakelijk gelachen en Moemie schaterde het hardst van hun allemaal. Eenmaal uitgelachen zei Moemie: “Toch zie ik naast jullie ook nog een jongetje.” “Uitgesloten,” reageerde Beila’s moeder fel, zoals ze vaak kon zijn, “er kan echt geen jongetje meer komen, geen jongetje, geen meisje.”

Moemie zag de torens telkens weer instorten, had vele brieven naar de burgemeester, wethouders en zelfs naar de minister president geschreven en wilde dat haar nicht een andere baan ging zoeken, want die werkte ergens hoog bovenin. Ze vreesde dat de zoon van haar nicht, die toch al geen vader had, wees zou worden. Noch die nicht noch die zoon had Beila ooit ontmoet.  Ze herinnert zich dat Moemie vertelde dat op de school van die zoon drugs werden verkocht en leerlingen echte wapens mee naar school brachten. Het klonk niet griezelig, maar spannend en ze hoopte dat Moemie haar mee zou nemen naar die school om die jongens met echte pistolen in de schoolbanken te zien zitten.

Brieven naar de televisie had ze gestuurd, en Moemie liet de brief zien die ze als antwoord had ontvangen. Ze werd uitgenodigd op het stadhuis en er waren allemaal belangrijke mensen bij.  Toen pas hadden ze naar haar geluisterd. Iedereen die in de torens werkte mocht een dag lang het gebouw niet betreden omdat ze de constructie gingen controleren. Want nog iemand had dezelfde voorspellingen gedaan. Maar daarna werden Moemie en die mijnheer door iedereen uitgelachen omdat de berekeningen van de architecten goed waren geweest en de aannemers niet gesjoemeld hadden.

Toch zag Moemie nog altijd die torens instorten. De enige manier om het niet meer te zien was door de televisie aan te zetten en naar de moeilijke quizprogramma’s op televisie te kijken. Dat deed ze van ’s morgens vroeg tot ’s avonds laat. Hoe moeilijker de quiz hoe te beter. Ze had een hekel aan de reclame en het nieuws want dan kwamen die rottige torens terug. Ze had haar nicht gesmeekt een andere baan te kiezen, maar die had daar een topbaan, en die zei: ”Hou erover op. Je hebt je al belachelijk gemaakt. Weet je wel wat het gekost heeft om de zaak een hele dag te sluiten enkel en alleen omdat u spoken ziet?”

Eigenlijk wilde Beila, die zich aanvankelijk verheugd had Manhattan vanaf het hoogste dak te bekijken, na haar bezoek aan Moemie die tweeling torens liever overslaan. Haar moeder vond het aanstellerij en drukte hun toeristisch uitstapje om de hoogste torens van de wereld te bezichtigen door. Beide ouders genoten van het uitzicht. Haar moeder maakte foto’s en haar vader keek door zijn verrekijker. Ze spraken met geen woord over Moemie toen zij vanaf het platform probeerden om zo ver mogelijk over het hek heen te kijken, met hun nek in giraffestand.

Maar Beila voelde een rare trekkende kracht tussen haar benen alsof er een stofzuiger tegen haar schaamlippen werd geduwd die al haar ingewanden wilde opzuigen. Ze is op haar hurken gaan zitten en hield haar handen tegen haar kruis gedrukt, zoals wanneer ze nodig een plas moest doen en er geen wc in de buurt was. Ze wist zeker dat als ze dat niet zou doen alles in haar buik, darmen, ingewanden, maag, hart, bloed en alles verder wat er in haar klopte en bewoog maar wat ze nog niet kon benoemen, zou ontsnappen en zich met kracht een weg zou zoeken naar de straat ver beneden waarna ze helemaal hol van binnen verder leven moest.

Er was nog iets anders dat Moemie zei. Het was alleen tegen haar, in de keuken. Gisteren was dat gesprek nog een bevend wazig youtube filmpje met te weinig pixels en storingen in het geluid, maar nu kan ze zich Moemies opmerking plots letterlijk herinneren: “Beila, als je zo oud bent als je moeder nu is, zal je een belangrijke beslissing moeten nemen. Neem de tijd. Laat je niet tot een beslissing dwingen.”

Haar moeder lijkt nog slechts één doel te hebben en dat is die schoen in de lucht te houden.  De mensen op het terras kijken geobsedeerd naar haar moeders circusact. Beila kan haar ogen er nu ook niet meer van af houden.

“Dus het is toch waar,” zegt Beila.

De hak valt op de grond. Haar moeder bukt, schuift de schoen weer aan haar voet, en vraagt: ”Wat is waar?”

“Dat Moemie toen zei dat papa op zijn zestigste ernstig ziek zou worden, maar dat we niet ongerust hoefden zijn omdat hij weer beter wordt.”

“Ik heb daar gisteren inderdaad aan gedacht, maar ik kan me haar woorden niet zo precies meer herinneren en het lijkt me zinloos om te proberen terug te halen wat ze toen allemaal heeft uitgekraamd. Ze was een best mens, en vooral bijzonder voor iemand van haar generatie. Ik heb echter een gloeiende hekel aan mensen die hun hallucinaties en fantasieën aan je proberen te verkopen als levenswijsheden of door god ingefluisterde inzichten. Natuurlijk speelde ik vannacht ook met het idee dat als zij inderdaad nine eleven voorspeld had, er voor je vader veel hoop is. Maar ik schaam me voor die gedachte.”

“Je schaamt je?”

“Die New Age flauwekul is een modegril, net zoals dat Valentino mantelpakje dat je klaarblijkelijk in zo’n naar mottenballen ruikende winkel op de kop getikt hebt. Ik zou niet weten waarom ik de nuchterheid die mij zo ver gebracht heeft zou moeten laten varen enkel en alleen omdat ik doodsbenauwd ben om zonder je vader door het leven te moeten gaan.”

In haar moeders stem zit een stervende kraai verborgen. Ze zou nu haar arm om haar moeders schouder zou moeten leggen. Maar in plaats daarvan staat ze op en zegt: ”Mam, ik moet gaan. Ik heb een afspraak.”

POEPOETAN

Na vele dagen van zware regens, omdat op het eiland de natte moesson te vroeg begonnen is, klaart de lucht op. De storm die bananenbomen dagenlang deed dansen als schaduwpoppen in hun strijd van licht tegen donker, is even voor zonsondergang gaan liggen. Zij, de baby die later vele benamingen krijgt, maar nooit haar oorspronkelijke naam zal weten, slaapt al urenlang in de draagdoek die ’s nachts als hangmat fungeert.

Haar moeder hoort de gekko wel roepen, maar vergeet te tellen en mist daardoor de kans een wens te doen. Ook de ster die juist valt als ze onder het oog van de zeven oorspronkelijke rishis in hurkhouding haar volle blaas leegt, ontgaat haar. Ze staart gedachteloos naar  de honderden mieren die op dit late uur vlak voor haar blote voeten een kakkerlak proberen te verslepen. Dan schuifelt ze door het donker terug naar de balé waar niemand nog wakker is. Voordat ze op de lege plek tussen haar andere dochters kruipt, gluurt ze in de hangmat van haar jongste, want het meisje had overdag een paar keer gespuugd en voelde warm. Het zal, zo denkt de moeder, van het groeien zijn. Ze is gerust dat de baby nu ontspannen ligt te slapen.

De Balinese zon komt nog lang niet op als het kleintje gewekt wordt door de vechthanen die kraaien alsof ook zij dolblij zijn dat donder en bliksem achterwege blijven. De grootmoeder pakt het jongste kleinkind op en legt het in de armen van de slapende moeder. Deze geeft haar dochtertje liefdevol de borst en dommelt weer in. Het kind staart naar De Grote Beer alsof ze geen baby is, maar een meisje van honderd.

In de ochtend verhit de brandende zon de koninklijke tuin al gauw dusdanig dat de hanen in hun bamboekorven erdoor verstillen. Vogels zoeken de beschutting van het gebladerte op, tjitjaks die rond zonopkomst nog overal brutaal opduiken, houden zich nu schuil. De diepe waterplassen drogen geleidelijk in.

Voordat de mannen wakker zijn hebben de vrouwen, gekleed in hun fleurigste sarong, de verregende offertjes bij de vele huistempels en huisaltaartjes en ook die in de offernisjes buiten de paleispoort vervangen door verse. De felle tropische ochtendzon heeft de modderige dampige grond op de grote binnenplaats al bijna weer ingeklonken als de eerste straatverkoper het paleis met zijn koopwaar betreedt. Met het onderlichaam gewikkeld in de oudste versleten sarong en de borsten naakt, vertrekt een grote groep vrouwen met kruiken, grote manden en hoog opgestapelde schalen op het hoofd naar de rivier. Muzikanten oefenen de gamelan met de jongste jongens van het paleis.

Haar moeder kauwt sirih in de schaduw van de open balé, waar haar jongste zoon met de ervaren muzikanten mag meespelen om het al doende te leren. Ze is trots op hem zoals hij op de bamboestaven slaat, krachtig en beslist, alsof hij met de hamer in zijn handen geboren is. Toen hij nog in haar buik zat wist ze dat hij oor voor ritme had.

De dochter die nu tegen haar naakte boezem slaapt, weet niet dat haar moeder heilig gelooft dat de goden haar als jongste meisje een zangstem hebben gegeven. Nadat haar navelstreng was doorgesneden, krijste ze niet zoals haar andere kinderen, maar weende ze zachtjes als een kundig bespeelde rebab.

Haar vader slaat ondanks zijn gerimpelde huid en zijn lange grijze haren op de trom als een jongeman die zijn eerste vrouw nog moet zien te schaken. Of hij er nu op blaast, eraan trekt, erover strijkt of erop hamert, elk instrument gehoorzaamt hem zoals zijn drie vrouwen. Haar moeder kan als tweede vrouw met zijn derde beter overweg dan met zijn eerste en toch houden die drie van elkaar als zussen dankzij zijn rechtvaardigheid als echtgenoot.

Het meisje, dat al sabbelend in slaap gevallen is, schrikt wakker als haar moeder de rode fijngekauwde sirihpruim met veel geweld tegen de grond spuugt. Ze zet geen keel op, maar zoekt troost bij haar moeders tepel. Na een aantal gulzige slokken drinkt ze weer rustig. Haar babyvoetjes, die de vruchtbare grond van het eiland nog nooit geraakt hebben, bewegen ritmisch mee met het orkest.

Ze heeft de ogen dicht als haar moeder naar de keukenbalé loopt. Maar ook met open ogen zou ze de drie meisjes die mee neuriënd met het orkest het door de storm vervuilde erf schoonvegen, niet zien.  Het kind is weer in diepe slaap, als een van de zonen van een met de priesterzoon bevriende tabaksbroer hijgend het paleis binnenstormt. Zou het kind hem evenwel horen schreeuwen, dan zou ze de inhoud van zijn woorden toch niet begrijpen.  Zelfs haar moeder, die op dat moment met haar lange brede mes een kokosnoot splijt, beseft in eerste instantie de betekenis van het slechte nieuws maar amper. “Wat is er aan de hand?” vraagt ze de derde vrouw, die onverschillig haar schouders ophaalt omdat ze, zwanger van haar tweede kind, in de ochtend altijd duizelig is en zich bijna nergens goed op kan concentreren behalve op het water van de rijst, om te zien of het al kookt. De eerste vrouw heeft de zinnen van de opgewonden jongeman wel woord voor woord opgevangen, maar gelooft niet wat ze hoort. Iedereen op het erf van de koning grijpt de boerenzoon bij de arm en vraagt hem telkens opnieuw: ”Wat zeg je?” Nog altijd buiten adem hijgt hij: “Het grote leger van de blanken met de lichte ogen is op het strand tussen de palmbomen een kampement aan het bouwen. Ze willen ons verbannen!”

Neven en achterneven van haar moeder met duizenden andere eilandbewoners in kleurrijke kleding, blootsvoets, in trance, in woede of slechts plichtsgetrouw met hun lansen en krissen trekken de vijand via de tabaksvelden tegemoet. Het metaal van de krissen weerkaatst de felle zonnestralen. Onder de strijders met blinkende steekwapens lopen ook een paar eilandbewoners mee met een geweer waar de loop zo krom van is dat ze er nog geen olifant mee zouden kunnen raken. De eilandbewoners twijfelen er niet aan dat ze de vijand op deze wijze duidelijk kunnen maken dat hij niet welkom is. Als ze het kampement van de indringers omsingelen worden ze echter met mitrailleursalvo’s ontvangen.

Alhoewel ze nog een baby is, voelt ze de spanning in haar moeders tengere ogenschijnlijke veilige lichaam zodra de berichten doorsijpelen dat de eerste overmoedige poging om de vijandelijke troepen terug te dringen, is mislukt. Ze kan niet weten dat de onrust van haar moeder samenhangt met de ontsteltenis binnen het paleis naar aanleiding van het gerucht dat de vijand onoverwinnelijke vuurwapens bezit.

De vorst heeft de priester verzocht om raad en bijstand bij de goden en voorouders te gaan vragen. Terwijl zij aan haar moeders tepel zuigt alsof de melk in die volle bruine borst onuitputtelijk is, snijdt haar moeder met haar lange scherpe mes palmbladeren in repen. Andere vrouwen vlechten die smalle stroken tot mandjes. Weer andere vrouwen klemmen met fijne bamboesplinters die stevig genoeg zijn om vleesresten tussen de tanden te verwijderen, het vlechtwerk vast.

Van aaneengeregen koperen munten met de vierkante gaten waarmee Chinezen hun huisslavinnen kopen, maken ze afbeeldingen van de goden en sierlijke symbolische beeltenissen om de offerschalen mee te decoreren. De hoeveelheid offers overstijgt het aantal dat gewoonlijk naar de moedertempel gaat waar het heilige water wordt gehaald.

“Het eren van onze voorouders en goden is te prefereren boven onderdrukking door barbaren met waterkleurige ogen uit het westen,” krijgt de priester als antwoord op zijn lang gebed. “De koning, als bloedverwant van de halfgoden, mag zichzelf en zijn voorouders niet laten vernederen door zich vrijwillig over te geven. Hij mag zich niet door een stel machtswellustelingen laten overmeesteren en verbannen.”

De vrouwen rijgen alle munten tot snoeren. De koperen kettingen worden met het heilige water van de moedertempel gezegend. De priester dompelt zeven soorten bloemen in het heilige water en besprenkelt  daarmee de koning maar ook al zijn familieleden, volgelingen en dienaren. Hij prevelt in oude talen. De vrouwen heffen af en toe hun armen op naar de hemel in gebed.

De baby begrijpt de woorden  van een priester niet, maar haar moeder evenmin, want wat de priester zegt is niet bedoeld om te worden verstaan door de vrouwen. Wat er ook bedisseld wordt, ze zullen de koning altijd volgen. Er wordt meer wierook gebrand dan ooit en de longen van deze baby protesteren meer dan die van de andere baby’s. Alsof het meisje opeens van zich wil laten horen kucht het luidruchtig. Haar moeder klopt het zachtjes op de rug en wurmt haar rechtertepel in het onwillige mondje. Het kind drinkt niet, het verslikt zich en hoest zichzelf daarna in slaap.

Niemand zal ooit kunnen of willen navertellen hoe de stemming onder de vrouwen is zodra in de paleistempel een plechtigheid wordt gehouden als voorbereiding op  een reis naar de andere wereld. Haar moeder heeft al zeven kinderen en haar baby is niet de enige zuigeling die de ceremonie in een slendang, een kleurrijke katoenen draagdoek, tegen haar moeder aangeklemd, bijwoont. Die andere baby’s slapen net als zij vredig tegen de warme zweterige borst van hun moeder aan, wanneer zij met alle andere paleisbewoners tezamen de laatste rituelen uitvoeren om hun zielen te reinigen.

Een baby van nog geen jaar kan niet weten dat de blanken met de waterkleurige ogen eisen dat de afstammelingen van Madjapahit zich aan hen onderwerpen. Zij heeft er geen benul van dat een gestrand Chinees schip, dat door de eilandbewoners werd leeggehaald, een geldig excuus is voor een of andere overheid aan de andere kant van de wereld om oorlog te gaan voeren. Ze snapt niet dat de vijand de strijd om de overheersing van haar geboorte-eiland voor zichzelf rechtvaardigt met het voornemen een einde te maken aan maagdenroof en weduwenverbrandingen.

Ze weet evenmin dat sommige vorsten op het eiland al enige tijd heulen met de indringers in ruil voor opium en dat dankzij die opium een deel van het eiland al koloniaal bezit is geworden. Niet alleen zij, ook de rest van de koninklijke familie weet niet dat de gastvrijheid waarmee de vorst de blanke afgevaardigden vaak in het paleis heeft ontvangen, niets heeft afgedaan aan het feit dat de eilandbewoners in het vaderland van die ongenode bezoekers worden afgeschilderd als wilden die de beschaving moet worden bijgebracht.

Terwijl vanaf de zuidkust de vijandelijke soldaten oprukken, vullen de grootmoeders, moeders, tantes, nichten en zussen offermandjes. Ze snijden, vlechten, krullen, vouwen, kneden en kleuren palmblad, rijst, sliertjes gedroogde bamboe, kokos  en andere natuurlijke materialen uit hun dagelijks leven. De baby die de grond van haar eiland nog nooit heeft gevoeld, kijkt naar de versieringen die op pauwenstaarten, hanenkammen, godinnenoren, prinsessenwimpers, kippenveren, lotussen en godenkronen lijken. De blik van de baby wordt gevangen door de koperen munten die blinken in de afbeeldingen van goden en halfgoden uit het leven van de voorouders van haar familie. Haar ogen volgen de bruine slanke vingers van de vrouwen die grote zilveren en gouden schalen met fruit, gekleurde rijst en geurige vers geplukte bloemen vullen. Vrouwenhanden stapelen haastig de offers die door de felle kleuren in het helle zonlicht de oogleden van de baby doen knipperen. Sierlijke bamboekunst, bedoeld om goede en kwade krachten te plezieren, wiegt kalm heen en weer door een zeewind die verkoeling brengt, geen regen.

Zij weet niet dat de soldaten van de vijand geronseld zijn uit landen waar geen werk was. Zij weet niet dat hun vrouwen ook geronseld zijn, van tropische eilanden in de buurt. Ze weet niet dat veel vrouwen van haar eiland op dezelfde wijze beland zijn op een ander eiland, waar ze net als deze vrouwen soms niet meer weten of ze nu slavinnen of echtgenotes zijn.

De vrouwen en kinderen van de huurlingen zijn inmiddels in het kampement ondergebracht. Ze koken een potje voor de soldaten en bedienen de mannen op al hun wenken. Er wordt stevig gedronken. De mannen, die enige dagen zonder vrouw  hadden moeten doorbrengen, gaan zichzelf te buiten. Niet omdat ze vrezen dat ze zullen omkomen in de strijd, maar omdat ze zich al overwinnaar voelen. Het leger weet zich sterk en de  Hollandse generaal is zeker van een glorieuze overwinning. Als de officieren van dat leger in die septembermaand in 1906 iets vrezen, is dat een mogelijke guerrilla oorlog die vanuit het oerwoud zou kunnen volgen, maar niet de wapens van de dienaren van de vorst, die niet haar vader is maar wel die van andere kinderen in het paleis.

En terwijl de door de vrouwelijke eilandbewoners zo zorgvuldig in verschillende fragiele vormen gesneden bamboe beweegt, ruist, fluit en zingt, verwoest de vijand, op weg naar het paleis, in de dorpen die hij passeert vooral de muren rond de huizen, maar velt ook iedereen die op een of andere wijze tegenstand biedt.

Haar trotse vorstelijke familie, gekleed in ceremonieel wit, behangen met kostbare sieraden, het haar glanzend glad gekamd met geurige klapperolie en versierd met bloemen, beneemt liever zichzelf en elkaar het leven dan te zwichten voor een koloniaal bewind. Haar moeder draagt behalve al haar juwelen, net als alle andere vrouwen, ook de snoeren van heilige munten om haar nek. Haar lange zwarte steile haar heeft ze deze keer niet met haar mooiste zilveren speld vastgezet in een wrong. Tijdens het lopen wiegen de geoliede haarslierten heen en weer en zwiepen de vettige haarpunten tegen het hoofdje van de baby die op haar borst een zilveren broche kreeg opgespeld. Een sieraad waarmee haar oma haar kleding vastzet op heilige feestdagen van hun eigen kalender.

In haar ene hand houdt de moeder de zilveren met amber ingelegde haarspeld en in haar andere het lange mes waarmee ze dagelijks bladeren halveert en onkruid kapt. Met deze twee wapens in de hand is ze bereid de strijd om de eer aan te gaan. “Wanneer een ei moet vechten tegen een steen,” had de vorst gezegd, “moet de weg naar reïncarnatie eervol worden vrijgemaakt.”

De baby ligt stevig tegen haar moeders bovenlichaam aangeklemd door de  strak gebonden draagdoek, dit keer niet bontgekleurd maar wit, zoals het lijkgewaad dat zij en de anderen hebben aangetrokken, voordat ze het paleis verlieten en aan elkaar beloofden: ”We gaan door tot het bittere eind.”

De vorst, die zich aanvankelijk volgens de traditie laat dragen, gaat voorop. Alsof de kogels hem niet willen raken, dringt hij het verst door tussen de vijandelijke soldaten. En daar, te midden van hen, steekt hij zichzelf met de kris in zijn maag, voordat zij hem met hun vuurwapens kunnen doden. Achter hem zijn vele mannen, vrouwen en kinderen al met kogels doorzeefd. Wie niet valt door de vijand, sterft dankzij de lanssteek van een vriend, zoals afgesproken.

Misschien is ze wakker in de witte slendang, als haar moeder een van haar uit munten bestaande halssnoeren kapot trekt en die naar de dichtstbijzijnde soldaat gooit om daarmee duidelijk te maken: hier hebben jullie mijn aardse bezittingen, ik hecht meer waarde aan mijn ziel. De munten vallen op de grond en rollen naar alle kanten. Even is de aandacht van de soldaat daardoor afgeleid. Haar moeder zwaait dreigend voor zijn neus met in de ene hand haar mes en in de andere nog altijd haar mooie zilveren met amber ingelegde haarspeld. De draagdoek waarin het babymeisje veilig lijkt te rusten, bedekt haar babyhoofdje volledig als haar moeder haar witte gewaad opzijschuift en met de haarspeld op haar naakte borst wijst. In haar eigen taal die de soldaten niet begrijpen, maar misschien het meisje al wel, daagt de moeder hem uit: ”Hier! Hier raak mij! Hier is mijn hart!”

Ze kan niet gezien hebben dat haar moeder dreigend naar de soldaten zwaaide met het mes waarmee ze eerder voor de goden de palmbladeren aan repen had gesneden. Ze zag evenmin hoe haar oma het met edelstenen ingelegd houten heft van de familiekris vastpakte dat in de maag van haar oudste zoon stak, een van de vele mannen die net als de koning gekozen hadden voor een volgend leven in betere tijden met meer kansen. Ze kon niet zien hoe haar oma die kris in één beweging uit zijn lichaam trok. Het ontsnapte ook aan haar waarneming hoe haar oma met die kris vervaarlijk zwaaide naar een soldaat die op zijn achttiende de verlieslijdende boerderij van zijn vader vaarwel had gezegd, omdat hij in dronkenschap getekend had voor het dienen in de Oost. Gelukkig zag ze evenmin dat die boerenzoon met zijn bajonet afstapte op haar oma die misschien niet de fysieke kracht had om een stevig gespierde soldaat met de kris te doorklieven, maar wel, zoals de soldaat ooit op zijn sterfbed aan zijn kleinzoon zou bekennen, ogen had die konden doden.

Daarna, wanneer haar oma op de grond ligt te bloeden, ontvangt haar moeder, voordat zij kan besluiten of zij eerst haar eigen kinderen, dan wel uitsluitend zichzelf van het leven zal beroven, een kogel recht in haar hart. Vrijwel onmiddellijk daarna worden de kinderen, die zich dapper rondom haar scharen en dreigen met familiekrissen en kookmessen de moordenaar van hun moeder te lijf te gaan, eveneens door de soldaten onder vuur genomen.

Het moet lijken of zij, weggezakt in haar moeders draagdoek die van wit langzaam rood kleurt, geraakt is door een of andere kogel, lans of kris. Ze beweegt noch huilt als haar getroffen broers en zusjes over haar heen vallen.

De soldaten verwijderen de juwelen en sieraden van de lichamen in een koortsachtig tempo, want na een kwartiertje rust zal de expeditie worden voortgezet naar het volgende dorp. Ze weet niet dat de soldaat als boerenzoon van zijn moeder had geleerd dat je beter je eigen kip niet kon slachten, maar die van je buurman, want, alhoewel anders dan met een hond, je hecht je op den duur ook aan een kip of varken. Ze weet niet dat de man die haar oma en moeder doodde van zulke gedachten heeft als hij zich over zijn slachtoffers buigt en zoekt naar kleine schatten van waarde die hij in zijn patroontrommel bewaren kan. Hij heeft behalve haar moeder en haar oma ook een paar opgeschoten jongens te grazen genomen, en is ervan overtuigd dat de kogel door de moeder heen de baby ook heeft doorboord. Het meisje zit onder het bloed en lijkt levenloos, maar juist als hij een vinger van de dode moeder wil afhakken omdat hij de ring er niet snel genoeg afkrijgt, gaat het door geronnen bloed gesloten linkeroog van het kind open. De soldaat deinst achteruit.

Een verpleegster, eigenlijk een non, maar op het eiland laat niemand zich bekeren, ontfermt zich over het kind. De baby schreeuwt moord en brand als de non het geronnen bloed van haar gezicht probeert te wassen. Ze is ruim elf maanden oud, schat de legerarts. De non schat haar jonger. Het bloed dat aan haar wimpers, neusje en lippen kleeft is van haar moeder en familieleden, zijzelf kwam ongehavend uit de strijd.

Ze proeft nog altijd midden op de dag vanuit het niets opeens de smaak van bloed en de geur ervan herkent ze van ver, maar ze weet niet waarom.

EINDE EERSTE HOOFDSTUK – EEN MEISJE VAN 100

EEN MEISJE VAN 100 is te koop vanaf 30 augustus 2012.

Meer info via: www.arbeiderspers.nl/Jubileumjaar-Marion-Bloem

Wij hopen dat u heeft genoten van het eerste hoofdstuk en verder zult genieten bij het lezen van het volledige boek. Op onze Facebook pagina (facebook.com/garudaindonesianederland) maakt u tot en met 30 augustus 2012 kans op 5 gesigneerde boeken van Marion Bloem. Op 31 augustus 2012 worden de winnaars bekendgemaakt.
Kijk dus snel hoe u mee kunt doen!

Veel succes en leesplezier!

Vriendelijke groeten,
Garuda Indonesia Nederland.

Over Redactie

Comments

One Response to “EERSTE HOOFDSTUK – EEN MEISJE VAN HONDERD – DOOR MARION BLOEM”

Trackbacks

Check out what others are saying about this post...
  1. Boeken « zegt:

    […] nieuwe roman van Marion Bloem, in de winkel. Het eerste hoofdstuk is te lezen op het internet.   Klik hier Maandagavond 27 augustus was Marion Bloem gast in het radioprogramma ‘met het oog op […]



Speak Your Mind

Tell us what you're thinking...
and oh, if you want a pic to show with your comment, go get a gravatar!